VOGELFOTOGRAFIE IN EXTREMADURA

Mooie soorten (deel 2 van 4)

Er is meer dan de ooievaar, veel meer...

 

In het eerste deel van dit vierdelige weblog 'Extremadura: regio & Trujillo'  beschreef ik een mogelijke uitvalsbasis voor een reis naar en door Extremadura. Op de reizen die ik door Extremadura maakte zijn voor mij enkele soorten toonaangevend. De gieren horen daar zeker bij. Die beschrijf ik in deel 3 'Gieren van Extremadura'. In dit deel 2 van het blog ga ik in enkele soorten die in Extremadura goed waar te nemen en te fotograferen zijn, als je maar met een paar zaken goed rekening houdt.

 

De blauwe ekster

 

De prachtige blauwe ekster (Cyanopica cooki) met zijn lichtblauwe staart, beigekleurige flanken en rug, witte keel en zwarte kop is een indrukwekkend mooie vogel. Net als zijn neef ekster (Pica pica) is de blauwe ekster een brutale, maar ook schuwe, vogel. Buiten het broedseizoen trekt de blauwe ekster in luidruchtig schreeuwende (zingende?) groepen rond. Vaak over een vrij klein oppervlak door een dehesa of rond een picnicplaats.   

Foto 1. De blauwe ekster (Cyanopica cooki). Wat mij betreft een van de sierlijkste vogels van Extremadura.

Foto 2. De blauwe ekster vlak voor de landing.

Soort en ondersoort

 

De verspreiding van de blauwe ekster over de wereld is vrij bijzonder. De soort komt alleen voor op het Iberisch schiereiland en in Oost-Azië (China, Japan, Korea, Mongolië). In die gebieden is het verschijningsgebied zeer scherp omschreven. Ze zwerven niet buiten dit gebied rond en de populaties breiden zich in de loop van de tijd ook niet uit.

 

Er werd altijd gedacht dat deze twee populaties nauw verwant zijn aan elkaar. Recent DNA-onderzoek heeft echter aangetoond dat de Europese en de Oost-Aziatische populaties niet verwant zijn. Momenteel is er dan ook sprake van een onderverdeling in acht ondersoorten waar-van de Europese blauwe ekster (Cyanopica cooki) er één is en de andere zeven ondersoorten (Cyanopica cyanus ssp.) in Oost-Azie voorkomen.

Waar en hoe de blauwe ekster te fotograferen?

 

De camping bij Plasencia, ten Noorden van Parque Nacional de Monfraguë, is de bekendste plek voor het fotograferen van de blauwe ekster. De daar rondzwervende blauwe eksters zijn gewend aan mensen en komen daardoor dichterbij en vluchten niet direct bij beweging. Elders in Extremadura moet je goed zoeken naar een gelegenheid om de blauwe ekster vast te kunnen leggen.

 

Maar als je eenmaal een groepje druktemakers in het oog hebt en je bestudeerd hun rondjes over een terrein, dan is de kans heel reëel dat mooie foto's gemaakt kunnen worden. Zelf help ik het toeval graag een handje door wat broodkruim neer te leggen. In Extremadura is in de grotere supermarkten kant-en-klaar 'migas de pan' (letterlijk vertaald 'broodkruimels') te verkrijgen. Een grote zak broodkruim voor een habbekrats, die de Extremadurees verwerkt in het lokale gerecht 'migas'. Een boers, voedzaam en best smakelijk gerecht van gebakken broodkruim, worst, paprika, kruiden en een gebakken (kwartel)eitje bovenop. Zo'n gekochte zak kant-en-klaar broodkruim scheelt weer een hoop snijwerk.

Foto 3. Migas, het regionale gerecht gemaakt van broodkruimels

(bron foto: http://upload.wikimedia.org/wikipedia/ commons/8/8a/Migas_en_Navas_de_Estena.jpg

Wouwen

 

Waar in Nederland de buizerd een vaak geziene roofvogel is, wordt die plaats in Extremadura ingenomen door de zwarte wouw (Milvus migrans) en, in mindere mate, door de rode wouw (Milvus milvus). Het is vrijwel onmogelijk om tijdens een dag 'vogelen' in Extremadura geen zwarte wouw te zien. Fotograferen is andere koek. De foto's van zwarte en rode wouw in dit blog zijn allemaal gemaakt vanuit de gierenhut die beschreven wordt in deel 3 van dit blog. Ook buiten deze hut heb ik zwarte en rode wouwen gefotografeerd, maar nooit zo mooi als vanuit deze hut.

Foto 4. De zwarte wouw poseert in vroeg, warm daglicht.

Foto 5. De zwarte wouw: een sierlijke roofvogel.

Foto 6. De rode wouw met zijn diepgevorkte staart.

Zwart of rood?

 

Het onderscheid tussen de rode en de zwarte wouw lijkt vanaf de tekeningen in de ANWB Vogelgids makkelijk te maken. Toch is in het veld oefening nodig. Een aantal typerende kenmerken zijn voor snelle identificatie van belang om te (her)kennen. Ten eerste heeft de rode wouw een veel dieper gevorkte staart dan de zwarte wouw (foto 6). Ten tweede is in vlucht de tekening aan de onderzijde van de vleugels bij de rode wouw veel contrast-rijker dan bij de zwarte wouw. Als laatste is in zittende houding opvallend dat de staartveren van de rode wouw roodbruin gekleurd zijn terwijl de staart van de zwarte wouw grijsbruin is.  Het rode van de rode wouw in tegenstelling tot het grijsbruine van de zwarte wouw, als algemene kleur van het verenkleed, is best lastig te maken en valt. zeker in zittende houding niet direct op. Zeker bij warm licht en een zittende vogel is het goed deze kenmerken op een rij te hebben om een foute identificatie te voorkomen en/ of een soort voor de daglijst te missen.

 

De wouwen zijn echte aaseters. Ze zijn langs wegen op zoek naar kleine dieren dit het slachtoffer zijn geworden van het verkeer, langs rivieren zoeken ze naar dode vis en vuilnisbelten worden bezocht om ook daar het nodige bij elkaar te verzamelen.

 

Dat is ook meteen de reden dat de wouwen, vooral de zwarte wouwen, bij de gierenhut werden gezien. De rode wouw liet zich er op de dagen dat ik gefotografeerd heb vanuit de hut wel zien, maar werd door de groep zwarte wouwen niet getolereerd en direct verjaagd.

 

De wouwen weten precies dat bij de gierenhut met regelmaat slachtafval wordt gevoerd en zijn er 's ochtends als eersten (voor de gieren en de raven) bij om hun portie mee te pikken. Een onaantrekkelijk eetpatroon dus, maar wat een mooie vogel. 

Foto 7. Capo di tutti capi: als de baas poetst houden zijn luitenanten de wacht.

Foto 8. Interactie: alleen een slechte adem? Of ook een slecht humeur?

Steenuiltjes

 

Extremadura is echt een streek voor de steenuil (Athene noctua). Het is er rommelig, rustig, ruig met af en toe een bewoond gebied. Je kan je dagen dus prima doorbengen met het afspeuren van alle stenen muurtjes, paaltjes, steeneiken, kurkeiken, enzovoort, op zoek naar het steenuiltje. En zoals we wel weten van ons eigen land: zelfs als je op zoek bent, moet je nog heel goed opletten om niet over dit kleine vogeltje heen te kijken.

Foto 9. Steenuil?

Foto 10. Een echte uilenblik: doordringend en vasthoudend.

Geel of oranje? Dag of nacht?

 

Waar bij de wouwen het onderscheid zwart of rood van belang is, geldt voor uilen het onderscheid tussen geel en oranje als mogelijk van belang. En dan heb ik het over de kleur van de irissen en de vermeende relatie met het moment op de dag waarop de betreffende uilensoort jaagt. 

 

Uilen met donkere ogen (bijv. bosuil of kerkuil) zouden alleen 's nachts jagen, uilen met oranjerode ogen in de schemering (bijv. ransuil) en uilen met gele ogen jagen overdag (bijv. steenuil en velduil). Donkere irissen zouden dus een beter gezichtsvermogen opleveren op de donkere momenten van de dag. Evolutionair zou de oogkleur dus zijn aangepast aan het moment van jagen.

 

De iris heeft als functie de hoeveelheid licht die op het netvlies valt te regelen. Bij veel licht wordt de opening in de iris die licht doorlaat, de pupil, kleiner. Bij donkere omstandigheden wordt de pupil juist groter. De iris heeft dus wel degelijk iets te maken met de lichtomstandigheden. Maar daarmee is nog niets gezegd over de kleur van de iris. Wat zou nou het evolutionaire voordeel zijn van donkere of ornaje irissen bij jagen in het donker?

 

Daarnaast zijn er voorbeelden te noemen van uilensoorten die 's nachts jagen maar die verschillende iriskleuren hebben. Denk eens aan de ransuil en de ruigpootuil die beide uitsluitend 's nachts  jagen. De ransuil heeft oranje ogen, de ruigpootuilogen zijn voorzien van gele irissen. Hier kan sprake zijn van een uitzondering die de regel bevestigt, maar eerlijk gezegd denk ik dat er geen sprake is van een verband tussen iriskleur van de uilen en het moment van de dag waarop ze het liefst jagen. Broodje aap dus.

Foto 11. Bidden voor het eten?

Foto 12. Steenuil!

Bijeneter

 

Een vogel met zo'n tropisch uiterlijk als de bijeneter (Merops apiaster) zou je haast niet verwachten in Europa. Toch kent de bijeneter een verspreidingsgebied over een groot deel van, vooral zuidelijk en oostelijk, Europa. Eind april komen ze aan en zijn dan de eerste weken op zoek naar een nestplaats. In Extremadura zie je van medio tot eind april vooral (redelijk kleine) groepjes bijeneters rondtrekken. Nog niet honkvast, want nog op zoek.

Foto 13. Even voorstellen, bijeneter, tropische vogel van beroep. Aangenaam.

Nestelen doen bijeneters in zandwanden. In zo'n zandwand graven ze een nestholte uit. Dat uitgraven is een grappig gezicht. Ze gaan met de snavel naar voren de ondiepe holte in en beginnen met graven. Via de snavel, onder het lijf door wordt met de poten het afvalmateriaal afgevoerd door het afvalzand met een ferme schop uit de holte te trappen. Naarmate de holte dieper wordt zie je dus steeds minder bijeneter en uiteindelijk alleen maar vliegend zand. Met een goede nestholte (in aanbouw) op het oog, kan ook al aan nageslacht worden gedacht.

 

De mannetjes bijeneter verleiden de vrouwtjes door ze cadeautjes aan te bieden (beeldverhaal bij foto's 13-16). De verleiding begint met een eerste voorzichtige poging tot het aanbieden van een cadeautje. Met een nederige houding biedt het mannetje een insect aan aan het vrouwtje. Wordt het geaccepteerd of moet hij nog betere pogingen wagen? (foto 13) Ja, het cadeautje wordt geaccepteerd. De overwinning lijkt binnen handbereik (foto 14). Een logisch gevolg van een geslaagde verleiding is de paring. In dit geval vindt de paring plaats op een uit de zandwand, waarin de nestholte zich bevindt, stekende tak (foto 15). Werk in uitvoering: een nestholte in aanbouw. De uit de holte gewerkte grond ligt voor de opening. Bijna klaar voor de volgende generatie (foto 16).

Foto 14-17. Verleiding, paring en de nestholte van de bijeneters.

Bijeneters zijn schuw maar ook nieuwsgierig. De op foto 16 jonglerende bijeneter had iets gevonden bij het uitgraven van de nestholte. De vondst werd meegenomen naar de favoriete zitplaats, in de snavel rondgedraaid om een eerste idee te krijgen van de bruikbaarheid. Ook de andere kant van de vondst moest worden geïnspecteerd. Draaien kost veel moeite, maar opgooien en opvangen blijkt makkelijker te gaan. Al snel werd duidelijk dat deze notendop leeg was. Zonder er verder aandacht aan te besteden liet de bijeneter de notendop uit zijn snavel vallen en hervatte de graafwerkzaamheden. Opvallend trouwens, zo'n mooi, schoon verenkleed houden tijdens intensief graafwerk. Lukt mij bij het werken in de tuin al niet, laat staan bij ondergrondse werkzaamheden.

Foto 18. Een met een notendop jonglerende bijeneter

Foto 19. Een bijeneter geeft een braakbal van onverteerbare resten van zijn insectenmaaltijden op.

Het hoofdbestanddeel van het menu van de bijeneter bestaat uit vliegende insecten. Het chitineschild van deze insecten is niet of moeilijk verteerbaar. Zoals bij veel vogels met een menu van onverteerbare onderdelen, produceert de bijeneter zo af en toe een braakbal.

Foto 20. Hoe tropisch wil je het hebben? Een bijeneter toont zijn prachtig gekleurde achterzijde.

Tot zover.

 

Klik HIER om door te gaan naar het eerste deel 'Extremadura: regio en Trujillo' van het Extremadura weblog.

Klik HIER om door te gaan naar het derde deel 'Gieren van Extremadura' van het Extremadura weblog.

Klik HIER om door te gaan naar het vierde deel 'Zwerven door Extremadura' van het Extremadura weblog.